Hoge Raad 22 november 2011 (ASS kussen), LJN BQ3106

De litigieuze uitlating: “De politie kijkt mee heb ik zaterdag ondervonden toen meneer de agent vertelde dat ik hier [verdachte] heet en een scooterwinkel in Papendrecht had. En aan meneer de agent die dit leest je moch gister zeker niet over je wijf heen. En de agenten in [plaats] kunnen mijn ASS kussen en hij kan beter uit mijn buurt blijven voordat ik hem ook 15 meter achter een motor meesleur zoals ik bij zijn collega heb gedaan."
De bewezenverklaring houdt in dat het hier gaat om een belediging die de verbalisant is aangedaan. Dat betekent dat de gedane uitlating de strekking moet hebben genoemde verbalisant aan te randen in diens eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan (vgl. HR 22 december 2009, LJN BJ9796, NJ 2010/671). Het gebruik van de volgens de bewezenverklaring door de verdachte gebezigde bewoordingen is in het algemeen niet beledigend, zodat in deze zaak de beantwoording van de vraag of van belediging in de zin van art. 266 Sr sprake is, afhangt van de context waarin die bewoordingen zijn gebezigd. In het onderhavige geval biedt die door het Hof in de bewijsvoering vastgestelde context onvoldoende grond voor het oordeel dat van zodanige belediging sprake is. De bestreden uitspraak is in dit opzicht dus ontoereikend gemotiveerd.